‘Nederlandse internetindustrie kijkt te weinig over de grens’

Geen reacties
Tags: , , , , , , , ,
Posted 26 jul 2014 in nieuws

Met behulp van een slimme mobiele app boeken Shell-medewerkers een halve dag tijdwinst per week bij hun werkzaamheden op olievelden en bij raffinaderijen. Het Shell Mobile Competence Center in Amsterdam ontwikkelt dergelijke toepassingen, met Michiel Steltenpool (39) als General Manager. “Wij zijn binnen de industrie de innovator.” 

Achter de ramen zijn mannen en vrouwen in witte pakken aan het werk. In hun handen gasbranders en andere gereedschappen. Steltenpool wijst naar ze vanuit de ruime hal in het Shell Technology Centre Amsterdam en vertelt met welke energie-innovaties het bedrijf bezig is: deze medewerkers doen onderzoek naar nieuwe generaties biobrandstoffen of efficiëntere methoden om fossiele brandstoffen te winnen.

De innovaties waar de General Manager zich dag in dag uit mee bezighoudt, zijn in dit gebouw minder prominent aanwezig. Maar de toepassingen die zijn team ontwikkelt, zijn voor de negentigduizend Shell-medewerkers dagelijks zichtbaar op het scherm van hun smartphone of tablet. En niet te vergeten de miljoenen klanten van het oliebedrijf die eveneens gebruikmaken van de in Amsterdam ontwikkelde toepassingen.

Werkvloer
Het Technology Centre is gevestigd in een gebouw op een stuk grond in Amsterdam-Noord dat ooit onderdeel was van een veel groter testterrein van Shell. Waar vroeger veel ruimte nodig was om proeven te doen met nieuwe raffinagemethoden, gebeurt dat nu op een veel kleiner werkgebied. Met dank aan computersimulaties die veel fysieke proeven overbodig maken.

Shell verkocht dan ook een groot deel van het terrein. En op het stuk dat overbleef, zette het oliebedrijf vier jaar geleden een nieuw grijsrood gebouw neer dat ruimte biedt aan de ongeveer dertienhonderd werknemers. Zestien ervan werken aan mobiele innovaties. “We groeien naar twintig man.” Daarnaast zijn er veel mensen van buiten het bedrijf die voor Steltenpool werkzaamheden verrichten. “Wij zijn een olie- en gasbedrijf. En hebben daardoor nauwelijks mensen rondlopen met programmeerkennis. Daarom zijn er contracten met grote IT-spelers als IBM en Accenture. En werken we met veel kleinere partijen die mobiele applicaties voor ons bouwen.”

De oorsprong van de mobiele toepassingen ligt meestal in het veld, bij de medewerkers zelf, zegt Steltenpool. De volgende dag gaat hij bijvoorbeeld naar Moerdijk om met een paar medewerkers te praten die hem hebben benaderd. “Ze hebben een idee voor een mobiele applicatie.” Het betreft hier geen IT’ers, maar Shell-medewerkers die thuis ervaren dat ze iets met een app kunnen wat ze ook graag op de werkvloer zouden willen. “Zo gaat het meestal”, aldus Steltenpool. “Medewerkers uit allerlei landen en vanuit verschillende disciplines komen naar ons toe met ideeën.”

In 2010 kreeg Stelptenpool de opdracht om het Mobile Competence Center op te zetten. Met als doel om mobiele toepassingen en ideeën vanaf een centrale plek te ontwikkelen, over de organisatie te verspreiden en te beheren. Destijds werkte hij al vijf jaar bij de oliegigant, in verschillende functies. En hield hij zich onder meer bezig met zaken als outsourcing en infrastructuur. “Ik hou van banen waarbij ik technologie kan combineren met innovatie.”

APK
De eigen appstore van Shell is ontwikkeld door het team van Steltenpool. Er staan apps in die voor alle medewerkers en contractors te downloaden zijn, zoals een conferentie-, mobile learning-, en Project Standards-app, maar ook apps die alleen voor medewerkers in bepaalde functies toegankelijk zijn. Eén app springt er voor Steltenpool bovenuit: Mobile Forms, bedoeld voor medewerkers die metingen en inspecties doen in olie- en gasvelden en raffinaderijen. Zij kunnen nu – dankzij die app – met een tablet op pad, in plaats van met papier en pen. Inspectiedata zoals volumes, druk en temperaturen kunnen ze direct in de app invoeren. En met behulp van foto’s en gps wordt de exacte situatie geschetst en de locatie van een meting bepaald. “Het is niet de meest ingewikkelde app, maar hij wordt heel breed gedragen: medewerkers zijn er blij mee.” En het levert het bedrijf flink wat geld op. “Vroeger moest iemand die vier dagen in het veld werkt een deel van de vijfde dag naar kantoor voor administratief werk. Die halve extra dag is niet meer nodig. Dat is een heel grote winst voor het bedrijf.”

Zijn team zette in de afgelopen drie jaar ook een bring your own (mobile) device-strategie voor het bedrijf op. En ontwikkelde een aantal consumenten-apps. Zo kunnen autorijders met de Motorist App onder meer bijhouden wanneer hun auto een onderhoudsbeurt of apk-keuring nodig heeft, waar het dichtstbijzijnde tankstation is, en hoeveel benzine er nodig is voor een autorit van bestemming A naar B. De app is inmiddels uitgerold in dertig landen.

Glass
De mobiele toepassingen kunnen natuurlijk nog veel verder gaan dan de apps die Shell nu voor medewerkers en klanten heeft ontwikkeld. Zo geeft ook Steltenpool toe. “Met augmented reality is het bijvoorbeeld mogelijk om boven de grond te zien waar pijpleidingen lopen. En sensoren bieden al de mogelijkheid om te ‘zien’ of iemand in een raffinaderij in nood is.” Als een medewerker zich een tijdje niet beweegt, detecteert een sensor in een smartphone dat, waarop er een sein wordt gegeven aan een kantoor van Shell: check medewerker X, misschien is hij in nood.

Ondanks de toegevoegde waarde maakt het bedrijf er echter nog geen gebruik van. “De olie- en gasindustrie is redelijk traditioneel ingesteld. We lopen niet voorop met dit soort ontwikkelingen.” En het aspect veiligheid staat vernieuwingen op dit gebied soms in de weg.“In ons vak mag je niet zomaar een iPhone of iPad meenemen in een raffinaderij. Dat kan explosiegevaar opleveren.”

Om ervoor te zorgen dat smartphones en tablets wel geschikt zijn voor de olie-industrie, heeft Shell met regelmaat contact met de fabrikanten ervan. “We praten ook met toptechnologiebedrijven, onder meer uit Silicon Valley, om te zien welke ontwikkelingen eraan komen.” Eén ervan is de komst van Glass-achtige producten. Ondanks dat ze een exemplaar in hun bezit hebben, is het Competence Center nog niet bezig met het bedenken van toepassingen voor zoiets als de Google-bril. “Wij richten ons op mobiele toepassingen die we binnen drie tot zes maanden kunnen invoeren. Anderen binnen ons bedrijf kijken verder vooruit. Hierdoor zijn wij binnen de industrie wel de innovator. Dat blijkt ook uit benchmarks die we doen.”

Nederland
Als Steltenpool praat, rollen de Engelse termen makkelijk van zijn tong. Soms moet hij even zoeken naar een Nederlandse vertaling. Excuserend: “De voertaal is hier Engels.” Medewerkers van Nederlandse internetbureaus waar hij mee samenwerkt, voelen zich vaak minder thuis in het Engels, merkt hij. “Ze willen het liefst met mij praten, en niet met Engelstalige medewerkers.” Het typeert volgens hem de Nederlandse internetindustrie, die veel te weinig naar buiten gericht is. “De Nederlandse bedrijven leveren een heel hoge kwaliteit. Maar ze kijken te weinig over de grens. Dat is een beperkende factor.”

Bedrijven die willen groeien, moeten volgens hem over de grenzen heen ‘denken’. “Ze moeten niet bang zijn om meteen contacten te maken over de grenzen.” En er is meer. “Amerikaanse bedrijven denken vanaf het begin: hoe kunnen we een dienst maken die we makkelijk kunnen schalen. In Nederland zijn we daar niet zo goed in, terwijl je juist daardoor snel kunt groeien.”

Hoe ziet hij zijn eigen toekomst? Gaat hij zelf wel de grenzen over? “Mijn vrouw is architect, die kan in principe overal werken. Maar toch denk ik dat we voorlopig in Nederland blijven. Onze kinderen zijn jong op dit moment. Verder wil ik in deze richting blijven werken. Het is leuk om nieuwe dingen te doen en met innovatie bezig te zijn, maar op de winkel passen is iets waar ik minder goed in ben.”

* Dit artikel verscheen eerder in de Emerce 100 (editie 2014), een special van Emerce magazine

Foto: Martin Dijkstra



Lees het volledige bericht op Emerce »


Add Your Comment