De ongemakkelijke strijd tegen nepnieuws

Geen reacties
Tags: , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted 16 jun 2018 in nieuws

Sociale media worstelen al langere tijd met (politieke) beïnvloeding. Er liggen allerlei voorstellen op tafel om nepnieuws te bestrijden, maar zo makkelijk is dat niet. Hoe krijgen media weer grip op de waarheid?

Hij moest in grote advertenties in Britse kranten zijn excuses aanbieden voor het lekken van gegevens van mogelijk 87 miljoen gebruikers. Facebook-CEO Mark Zuckerberg kroop diep door het stof voor het incident met het schimmige Britse bedrijf Cambridge Analytica, dat op basis van gebruikersprofielen het Amerikaanse kiespubliek probeerde te bereiken via op maat gemaakte berichten over toen nog de republikeinse kandidaat Trump.

Het schandaal kreeg een vieze bijsmaak toen bleek dat Cambridge Analytica niet alleen zonder toestemming gegevens via Facebook had vergaard, maar ook afkeurenswaardige tactieken inzette om Trump aan zijn verkiezingsoverwinning te helpen. De leiding van het bedrijf vertelde voor een verborgen camera van Channel 4 dat ze niet terugdeinsde voor het betalen van steekpenningen, spionage of het inzetten van prostituees.

Niet dat Facebook daaraan bewust had meegewerkt, maar het bedrijf liet het wel gebeuren. Het gaf weer eens aan dat het bedrijf veel te ver is doorgeschoten met het delen van gebruikersdata.

Bij het verhoor in het Amerikaanse Congres en het Huis van Afgevaardigden had Zuckerberg zeven pagina’s nodig om uit te leggen dat Facebook zich heeft geconcentreerd op ‘al het goede dat het verbinden van mensen kan brengen’, maar dat hij ‘geen brede kijk op onze verantwoordelijkheid had’. ‘Ik begon Facebook, en ik ben verantwoordelijk voor wat hier gebeurt.’

Facebook laat een onafhankelijke commissie van academische deskundigen onderzoek doen naar de vermeende beïnvloeding van de verkiezingen. Zij moet ook met aanbevelingen komen. Een aantal filantropische instellingen zorgt voor de financiering.

Gevoelig
Het bedrijf heeft verder technische maatregelen aangekondigd: apps en games krijgen bijvoorbeeld alleen nog maar toegang tot naam, e-mailadres en de profielfoto van de gebruiker. Ontwikkelaars die meer willen, zullen een contract moeten ondertekenen met behoorlijk wat juridische clausules. Datasets waarmee adverteerders gebruikers kunnen analyseren en gerichte advertenties kunnen voorzetten worden beperkt. In de tijdlijn van gebruikers wordt getoond welke apps toegang hebben tot hun data. Zij kunnen daarmee ook apps de toegang ontzeggen.

Ondanks de toezeggingen blijft er nog veel uit te leggen: aan de EU, zeker in het licht van de aanstaande Europese privacywetgeving, maar ook aan de Amerikaanse Federal Trade Commission (FTC). Deze toezichthouder wil weten of het technologiebedrijf zijn eigen privacyrichtlijnen heeft geschonden. Facebook heeft in 2011 namelijk al een strengere privacybescherming toegezegd, en een van de vragen is of het bedrijf zich hieraan heeft gehouden.

Extra pijnlijk waren in dit verband de opmerkingen van Apple-topman Tim Cook, die op de vraag wat hij zou doen als hij in de schoenen van Zuckerberg zou staan, antwoordde ‘dat mij dit nooit zou zijn overkomen’. Simpelweg omdat de missie van Apple nooit geweest is om de data van gebruikers te verkopen.

Cambridge Analytica was zeker niet het enige incident. Vorig jaar moest Facebook toegeven dat zeker veertig procent van de Amerikaanse kiezers tijdens de presidentsverkiezingen in aanraking was gekomen met nepnieuws dat via Rusland werd verspreid in de vorm van betaalde advertenties. Aangeleverd door een trollenfabriek, genaamd Internet Research Agency.

Over de aanpak hiervan schijnt bij het social platform intern grote onenigheid te zijn ontstaan. Het hoofd beveiliging van het mediabedrijf, Alex Stamos, kondigde onlangs zijn vertrek aan, omdat hij het niet eens was met de manier waarop Facebook de verspreiding van nepnieuws en desinformatie wil bestrijden. Stamos wilde openheid van zaken geven over pogingen van Rusland om via Facebook de Amerikaanse presidentsverkiezingen te beïnvloeden, maar dat lag kennelijk te gevoelig bij de top van het bedrijf.

MIT
Aanvankelijk ging de discussie over de politieke beïnvloeding via sociale media toch vooral over de vraag of hier eigenlijk wel sprake van was. Kort na de verrassende verkiezingsuitslag in de VS vermoedde ook Google-topman Sundar Pichai dat nepnieuws daarbij een rol had gespeeld. De verkiezingen waren immers een nek-aan-nekrace. Een kleine groep kiezers kon de uitslag bepalen. Maar bewijzen kon hij het niet.

De vraag hoe je dit soort ontwrichtende propaganda moet aanpakken, is dan ook nog lastiger te beantwoorden. Het verspreiden van onwaarheden valt immers grotendeels onder de vrijheid van meningsuiting. Voor een individueel bericht is dit meestal geen probleem, maar het totale effect van individuele foutieve berichten kan substantieel zijn, constateert het Centraal Planbureau (CPB) in een onlangs verschenen advies. Als het onderliggende probleem meer een gebrek aan kennis is dan een gebrek aan goede prikkels, dan zou voorlichting of onderwijs in mediawijsheid kunnen helpen.

De kracht van internet – het rechtvaardigheidsprincipe waarbij het niet noodzakelijk is dat elke speler evenveel kansen heeft om te slagen, maar wel dat alle spelers het spel volgens dezelfde regels spelen – is tegelijk zijn grote zwakte gebleken. Dat begon natuurlijk al vroeg met commerciële beïnvloeding. Spammers wisten de zoekresultaten bij Google zo te manipuleren dat bedrijfsnamen en producten hoog scoorden. Zoekmachines moesten hun algoritmen regelmatig bijstellen in wat een grenzeloos kat-en-muisspel leek. Achter de schermen werden nieuwe technieken ontwikkeld om consumenten op basis van slimme profielen zeer gericht te benaderen met op maat gesneden advertenties.

En die technieken worden tegenwoordig ook volop ingezet om propaganda te verspreiden. Na het bestuderen van 126.600 berichten die door drie miljoen Twitteraars zijn verzonden en gedeeld, concludeert het Massachusetts Institute of Technology (MIT) dat nepnieuws zich sneller verspreidt dan echte journalistieke verhalen.

Experts beweren dat het Google-zoekalgoritme de verspreiding van nepnieuws juist heeft bevorderd door de kans te berekenen dat een internetgebruiker ook daadwerkelijk zal klikken op een zoekresultaat. Dit soort user engagement moet volgens kenners anders worden gewogen.

Response team
Veel van de voorgestelde maatregelen werken echter niet of nauwelijks. Facebook wilde eerst onafhankelijke factcheckers in de arm nemen en dubieuze nieuwsberichten voorzien van een waarschuwing. Was een bericht eenmaal aangemerkt als verdacht, dan werden ook geen advertenties meer getoond. Maar ook dit heeft zo zijn nadelen: want wie bepaalt wat precies de waarheid is? Onderzoek van Yale University laat zien dat een nepnieuwslabel bij artikelen eerder contraproductief werkt. Trump-aanhangers en jonge lezers bleken zelfs eerder geneigd een dergelijk artikel te geloven.

Het rechtvaardigheidsprincipe zorgt ook voor lastige keuzes: betrouwbare en minder betrouwbare bronnen zijn op internet nauwelijks van elkaar te onderscheiden, maar een schifting op basis van betrouwbaarheid geeft een ongemakkelijk gevoel: alternatieve opinies moeten ook gehoord kunnen worden.

Sommige landen schieten helemaal door. Duitsland wilde de verspreiding van nepnieuws tegengaan door wetgeving. Met boetes die tot vijfhonderdduizend euro kunnen oplopen. SPD-voorman Thomas Opperman benadrukte dat het niet de bedoeling is om een meningspolitie of waarheidscommissie in het leven te roepen. Het wordt echter een lastige discussie om te bepalen wat precies nepnieuws is. Het Netzwerkdurchsetzungsgesetz blijkt nu al niet te werken, omdat ruziënde burgers elkaar aangeven.

Groot-Brittannië heeft daarbij zelfs plannen voor een rapid response team, dat bevoegdheid krijgt om op te treden tegen ‘desinformatie’ op sociale media en andere online platformen.

Maleisië op zijn beurt dreigt zelfs met tien jaar gevangenisstraf voor het verspreiden van nepnieuws. Amnesty International zag dit gelijk als een poging om kritiek op de regering tegen te houden: nieuwe wetten maken critici monddood en de persvrijheid wordt aan banden gelegd. Waarbij ook in Singapore en de Filipijnen de autoriteiten overwegen om nepnieuwswetgeving in te voeren. Amnesty riep alle landen in de regio op deze gevaarlijke ontwikkeling tegen te houden.

Protest
Dat toezicht helemaal geen zoden aan de dijk zet, bewees de Europese commissie tegen nepnieuws EU vs Disinfo. De Europese taakgroep, die vanuit Brussel nepnieuws analyseert, ontvangt sinds vorig jaar ruim een miljoen euro uit het budget voor strategische communicatie en heeft veertien mensen in dienst. Maar de werkgroep ligt onder vuur. Die bleek gemakshalve ook GS Media, De Persgroep en The Post Online tot verspreiders van nepnieuws te rekenen. Na dreiging met een kort geding volgde een rectificatie.

De advocaten van deze mediabedrijven haalden dan ook flink uit. Overheid blijf ver weg bij het beoordelen van het werk van journalisten, luidde hun kritiek. De EU heeft volgens de juristen boter op haar hoofd als zij beweert dat het haar als koene ridder van de waarheid alleen zou gaan om het bestrijden van ‘pro-Kremlin-desinformatie’. Haar campagne diende eerder de belangen van de EU in de regio rond Rusland en was overduidelijk onderdeel van het beleid van de EU richting deze regio.

Uitwassen kun je natuurlijk wel bestrijden. In een gesprek met The Washington Post gaf de Amerikaan Paul Horner in 2016 ronduit toe dat hij al jaren leefde van nepnieuws via advertenties. Tijdens de verkiezingscampagne publiceerde hij berichten die door het Trump-kamp gretig werden overgenomen, zoals het verhaal dat een democratische demonstrant 3500 dollar betaald had gekregen om te protesteren bij een rally van Trump.

Google heeft inmiddels paal en perk gesteld aan de mogelijkheden van bloggers en vloggers om geld te verdienen met nepnieuws. Mede onder druk van adverteerders. Zij hebben miljoenen dollars ingetrokken, omdat ze hun advertenties niet meer bij dubieuze content willen zien staan.

Waar echter nog te weinig mee wordt gedaan, zijn algoritmen die bepalen wat consumenten zelf betrouwbaar vinden. Facebook laat gebruikers al wel bepalen welke nieuwsbronnen betrouwbaar zijn. Andere bronnen worden dan naar de achtergrond gedrukt.

Identiteitscontrole
Sommige critici zien ondanks de uitdagingen ook een positieve ontwikkeling. Naarmate meer mensen zich zorgen maken over desinformatie, neemt de waardering voor betrouwbare informatie toe. Zorgwekkend is wel dat één op de drie Nederlanders in een onderzoek van de Volkskrant zegt ‘tegenwoordig vaak niet meer te weten wat waar is en wat onwaar’, slechts 29 procent zegt ‘echt nieuws van nepnieuws te kunnen onderscheiden’.

Mede hierdoor hebben Kamerleden Hans van der Molen (CDA) en Kees Verhoeven (D66) al gepleit voor een bewustwordingscampagne over nepnieuws, de invloed van geldschieters op advertenties en meer kennis over algoritmes van Twitter en Facebook die bepalen wat gebruikers zien. De BBC helpt middelbare scholieren nu al om echt nieuws van nepberichten of stukken met valse informatie te onderscheiden.

Het CPB stelt nog andere maatregelen voor: een online platform zou iedere gebruiker de mogelijkheid moeten geven om zijn identiteit te laten controleren. De gebruiker kan baat hebben bij identiteitscontrole, omdat andere gebruikers hem of haar dan eerder vertrouwen. Zogenoemde verified accounts moeten een recht worden, geen privilege. Dat kunnen platforms in principe zelf organiseren, maar de overheid kan ook een DigID-achtig platform aanbieden om identificatie te faciliteren, aldus het CPB. Mogelijk biedt blockchaintechnologie hier een efficiënte oplossing.

Grote internetbedrijven hebben al wel toegezegd meer uitleg te zullen verschaffen over hoe de selectie van nieuws werkt. En ook zij willen meer maatregelen gaan nemen, al dan niet met behulp van machine learning die verdachte patronen herkent. Facebook, Twitter en Google zijn daarnaast onderdeel geworden van een 39 leden tellende adviesgroep onder leiding van de Nederlandse hoogleraar Madeleine de Cock Buning. In het advies blijft een belangrijke rol voor factchecken weggelegd, maar dan via een netwerk van onafhankelijke Europese centra voor (academisch) onderzoek.

Nederlands probleem?
Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken) spiegelde eerder dit jaar voor dat nepnieuws ook in Nederland een groot probleem is. De bewindsvrouw noemde als voorbeeld de Russische pogingen om de meningsvorming over de ramp met de MH17 te beïnvloeden. Universitair docent politieke communicatie Sanne Kruikemeier, die onlangs onderzoek deed naar online activiteiten van Nederlandse kiezers, maakt zich echter geen zorgen. Nederlanders consumeren informatie nog steeds via traditionele media, zoals het NOS Journaal, de krant en sociale contacten. Ons land is ook minder gepolariseerd, waardoor de motivatie voor beïnvloeding minder urgent aanwezig is.

Vergunning
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft eind vorig jaar een advies uitgebracht over een vergunningstelsel voor online platforms. Zo’n vergunning zou gericht moeten zijn op Europese gebruikers. In de financiële sector stellen toezichthouders hoge eisen aan bankvergunningen, dus waarom zou je zoiets ook niet kunnen verlangen van nieuwsleveranciers? Platforms kunnen verplicht worden om berichten met ongewenste of schadelijke informatie te markeren of te filteren. De bestaande regulering voor informatiemakelaars, nu voornamelijk verankerd in mediabeleid, is veelal ontworpen voor (traditionele) offline bedrijven en daardoor ontoereikend voor de risico’s die digitale platforms met zich meebrengen.

Trollenfabriek
Blogsite Tumblr, onderdeel van Yahoo, heeft naar eigen zeggen 84 accounts aangetroffen die duidelijke banden hebben met de trollenfabriek van de Russische overheid in Sint-Petersburg. Die accounts werden vooral ingezet om in aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 onrust te zaaien en presidentskandidate Clinton in diskrediet te brengen. De financiering en leiding van de trollenorganisatie zou in handen zijn van restaurateur Jevgeni Prigozjin, ook wel de ‘kok van Poetin’ genoemd. Om hun achtergrond te verhullen, huurden de Russen Amerikaanse servers. Pas in maart 2018 heeft de Amerikaanse regering van Trump Rusland sancties opgelegd voor wat het noemde ‘destabiliserende activiteiten’.

* Dit artikel verscheen eerder in het meinummer van Emerce magazine (#165).

Illustratie: Eva Straver (in opdracht van Emerce)



Lees het volledige bericht op Emerce »


Add Your Comment